Veel ondernemers en DGA's weten globaal wat box 1, 2 en 3 zijn, maar lopen vast zodra het op de samenhang aankomt. En precies daar ligt de winst. Wie alleen naar één box kijkt, bijvoorbeeld omdat dividend dit jaar ‘duur’ voelt, neemt vaak beslissingen die in de andere boxen ongemerkt geld kosten. In dit artikel zet ik de drie boxen helder naast elkaar, met de tarieven die in 2026 gelden en de plekken waar je in de praktijk daadwerkelijk op kunt sturen.
Het Nederlandse boxenstelsel eenvoudig uitgelegd
De inkomstenbelasting is in Nederland opgesplitst in drie boxen, elk met eigen tarieven, eigen vrijstellingen en een eigen logica. Box 1 belast wat je verdient met werken en wonen. Box 2 belast wat je haalt uit een onderneming waarin je een aanmerkelijk belang hebt; meestal een eigen BV. Box 3 belast je privévermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. Het idee achter deze opsplitsing is dat verschillende soorten inkomen anders worden behandeld. Een salaris uit loondienst, een dividenduitkering uit je BV en rente op je spaargeld zijn fiscaal dus drie totaal verschillende dingen, ook al komen ze allemaal op dezelfde bankrekening binnen. Je kunt niet zelf kiezen in welke box iets valt, maar je kunt vooraf wel sturen op hoe je je inkomen en vermogen opbouwt. Daar zit voor ondernemers en DGA's meestal de echte fiscale ruimte.
Box 1: inkomen uit werk en woning
Box 1 is de ‘klassieke’ box waar de meeste Nederlanders mee te maken hebben. Hieronder vallen loon uit dienstverband, winst uit onderneming (bij een eenmanszaak, VOF of maatschap), pensioen, uitkeringen, resultaat uit overige werkzaamheden en je eigen woning. Voor wie een hypotheek heeft op de hoofdverblijfwoning komt hier ook het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek bij kijken.
Voor zzp'ers en eenmansondernemers is box 1 nog steeds dé plek waar de winst landt. Ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling spelen hier, al zijn die de afgelopen jaren stevig versoberd. De zelfstandigenaftrek is in 2026 nog maar €1.200 en daalt in 2027 verder naar €900. De MKB-winstvrijstelling blijft op 12,7%. Dat is in de praktijk de aftrekpost die het meeste opbrengt bij hogere winsten.
De tarieven in box 1 voor 2026
Box 1 kent een progressief tarief. Hoe meer je verdient, hoe hoger het percentage over de top van je inkomen. In 2026 zien de schijven er als volgt uit voor mensen onder de AOW-leeftijd:
- Tot en met €38.883: 35,75%
- Van €38.883 tot en met €78.426: 37,56%
- Boven €78.426: 49,50%
Belangrijk: dit is progressief. Je hele inkomen valt dus niet ineens onder het hoogste tarief zodra je over de grens komt. Alleen het deel boven die grens wordt zwaarder belast.
Een snelle rekensom: bij een box 1-inkomen van €100.000 betaal je 35,75% over de eerste €38.883, 37,56% over de volgende €39.543, en 49,50% over de resterende €21.574. Je gemiddelde belastingdruk komt dan uit op ongeveer 40%. Dat is fors, maar lager dan het toptarief.
Wat het in de praktijk betekent: vanaf een inkomen van rond de €80.000 wordt elke extra verdiende euro voor bijna de helft belast. Dat is precies het punt waarop het loont om je af te vragen of die extra euro nog in box 1 moet binnenkomen, of dat er een slimmere route is via je BV, je pensioenopbouw of een ander vehikel.
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
Wanneer kom je in box 2 terecht?
Box 2 is de wereld van de aandeelhouder. Je hebt ermee te maken zodra je, alleen of samen met je fiscale partner, 5% of meer van de aandelen bezit in een BV of NV. Voor de meeste DGA's is dat een gegeven. Als oprichter van je eigen BV val je per definitie in box 2.
Wat veel ondernemers onderschatten: box 2 wordt niet alleen geactiveerd door dividend. Ook een aandelenverkoop, een herstructurering binnen je holdingstructuur of het opheffen van een BV kan box 2-gevolgen hebben. Daarom is het zinvol om box 2 niet alleen als ‘dividend-box’ te zien, maar als de fiscale poort tussen wat in je BV zit en wat naar privé stroomt.
Hoe wordt dividend belast in box 2?
In 2026 gelden er twee tarieven in box 2:
- Tot en met €68.843 (€137.686 met fiscaal partner): 24,5%
- Boven die grens: 31%
Een rekenvoorbeeld. Stel je keert in 2026 €100.000 dividend uit als alleenstaande. Dan betaal je 24,5% over de eerste €68.843; dat is €16.866. Over de resterende €31.157 betaal je 31%; dat is €9.659. Totaal aan box 2-heffing: circa €26.525. Daar zit dan al wel vennootschapsbelasting in de BV aan vooraf, en die telt mee voor je werkelijke totale belastingdruk.
Veel DGA's denken in tarieven, maar de echte vraag is wanneer je het beste uitkeert en hoeveel. Het lage tarief van 24,5% kun je elk jaar opnieuw benutten, dus structureel jaarlijks dividend onder die grens uitkeren is voor velen voordeliger dan één grote uitkering boven de €68.843. Helemaal als je samen met een fiscaal partner kunt uitkeren tot €137.686.
Maar (en dit is waar het misgaat in losse online vergelijkers) die berekening klopt alleen als je ook de vennootschapsbelasting meerekent en de bestemming van het geld in beeld hebt. Geld dat uit de BV gaat, landt namelijk in box 3. En dáár begint vaak weer een nieuwe rekensom.

Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
Box 3 is de box voor privévermogen. Hieronder vallen spaargeld, beleggingen, een tweede woning, verhuurd vastgoed in privé, vorderingen op derden en in toenemende mate ook crypto. Schulden mag je onder voorwaarden aftrekken van je vermogen, met een drempel van €3.800 per persoon (€7.600 met fiscaal partner).
Wat erbuiten valt: je eigen woning waarin je woont (die zit in box 1) en aandelen waarin je een aanmerkelijk belang hebt (die zitten in box 2). In de praktijk levert vooral de afbakening rond vastgoed, familieleningen en buitenlandse bezittingen vaak hoofdbrekens op.
De huidige systematiek en het tarief
Box 3 zit in 2026 nog steeds in een overgangsfase. De nieuwe box 3-regel die in 2028 ingaat, zorgt ervoor dat je belasting betaalt over je werkelijke rendement. Nú rekent de Belastingdienst nog met een forfaitair rendement: de Belastingdienst gaat ervan uit dat je een bepaald percentage rendement maakt. Daar betaal je 36% belasting over. Voor 2026 staan de forfaits op:
- Spaartegoeden: voorlopig laag (definitief vastgesteld begin 2027 op basis van werkelijke rentestanden)
- Overige bezittingen (beleggingen, vastgoed, crypto): 6%
- Schulden: laag forfaitair tarief, definitief begin 2027
Het heffingvrije vermogen is in 2026 €59.357 per persoon, of €118.714 samen met een fiscaal partner. Pas over het vermogen daarboven wordt het forfaitaire rendement berekend en belast.
Een concreet voorbeeld. Een alleenstaande met €200.000 vermogen, waarvan €120.000 op de spaarrekening en €80.000 in een beleggingsportefeuille. Na aftrek van het heffingvrije vermogen blijft €140.643 over, naar rato verdeeld over spaargeld en beleggingen. Op het beleggingsdeel rust dan een berekend rendement van 6%, op het spaardeel een lager percentage. Over dat berekende rendement betaal je 36% belasting. Effectief komt dat bij dit profiel uit op een paar duizend euro per jaar; vooral gedragen door het beleggingsdeel.
De tegenbewijsregeling: vaak vergeten, vaak voordelig
Wat veel mensen niet weten: als je werkelijke rendement aantoonbaar lager was dan het forfait, kun je via de tegenbewijsregeling belasting laten heffen over je echte rendement. Voor beleggers die in een mager jaar verlies of beperkt rendement hadden, kan dat duizenden euro's per jaar schelen. Het werkt met terugwerkende kracht tot aanslagen opgelegd na 24 december 2021.
Voor wie privé vastgoed of een gemengde portefeuille heeft, is dit zelden iets om in de aangifte even snel zelf te doen. De berekening en onderbouwing vragen om precisie. Juist daar verdient een goede fiscalist of financieel planner zichzelf snel terug.
De boxen in samenhang: waar zit de werkelijke optimalisatie?
| Box | Wat wordt belast? | Voorbeelden | Tarief 2026 |
| Box 1 | Inkomen uit werk en woning | Loon, winst uit eenmanszaak, pensioen, eigen huis | 35,75% / 37,56% / 49,50% |
| Box 2 | Aanmerkelijk belang (≥5%) | Dividend en verkoopwinst BV-aandelen | 24,5% / 31% |
| Box 3 | Privévermogen | Spaargeld, beleggingen, tweede woning, crypto | 36% over forfaitair rendement |
Op papier lijken dit drie aparte werelden. In de praktijk van een DGA of vermogende ondernemer stromen ze constant in elkaar over. Je salaris uit de BV landt in box 1. De winst die in de BV achterblijft komt pas in box 2 als je het uitkeert. Wat je daarna privé houdt of belegt, valt in box 3. Eén beslissing, bijvoorbeeld of je dit jaar dividend uitkeert, heeft dus direct effect op alle drie de boxen.
De gecombineerde druk voor een DGA
Voor DGA's is het toptarief van box 1 (49,5%) niet de enige relevante vergelijking. Wie geld in de BV laat staan en later uitkeert, betaalt eerst 19% Vpb (over de eerste €200.000 winst) of 25,8% daarboven, en daarna 24,5% of 31% in box 2. Reken die lagen bij elkaar op en je komt uit op een gecombineerde druk tussen ongeveer 38% en 44%.
Dat betekent in de praktijk: de keuze tussen ‘extra salaris uitkeren’ of ‘winst in de BV laten en later als dividend uitkeren’ is geen kwestie van één tarief. Het is een afweging die afhangt van je huidige inkomen, de winst in de BV, je pensioenplannen, je liquiditeitsbehoefte en je verwachte privévermogen over een paar jaar.
Waar de meeste ondernemers geld laten liggen
In gesprekken zie ik vier patronen die structureel geld kosten:
- Te veel salaris uit de BV: terwijl een mix van salaris (tot net boven het gebruikelijk loon van €58.000 in 2026) en jaarlijks dividend onder de eerste box 2-schijf vaak honderden tot duizenden euro's voordeliger uitpakt.
- Privévermogen ongelijk verdeeld tussen fiscale partners: terwijl het heffingvrije vermogen in box 3 per persoon geldt en gelijke verdeling vaak direct €59.357 extra vrijstelling oplevert.
- Box 3 alleen optimaliseren op de peildatum: door eind december schulden af te lossen of vermogen te verschuiven, zonder te kijken naar wat dat doet met liquiditeit, rendement of toekomstige flexibiliteit.
- Eenmanszaak laten doorlopen tot ver voorbij het omslagpunt: terwijl een BV bij hogere winsten fiscaal én strategisch beter werkt, zeker als je vermogen wilt opbouwen of pensioen wilt regelen.
Voor wie zijn structuur op orde wil hebben, is een persoonlijk gesprek met een fiscalist die ook financieel planner is doorgaans de snelste route. Niet voor een trucje, maar om de jaarlijkse keuzes op elkaar af te stemmen met je langetermijndoelen.

Praktisch sturen: waar begin je?
Wie zijn fiscale positie wil verbeteren, begint met overzicht. Welk inkomen komt waar binnen, welk vermogen staat waar, en wat zijn je doelen voor de komende vijf tot tien jaar? Zonder dat overzicht stuur je op gevoel, en gevoel kost bij belastingen meestal geld.
Een aantal concrete bewegingen die in 2026 vaak winst opleveren:
- Voor zzp'ers en eenmansondernemers: check of je omslagpunt naar een BV in zicht komt.
Vuistregel: vanaf circa €80.000 structurele winst wordt een BV vaak interessant, mits je het geld niet allemaal direct privé nodig hebt. - Voor DGA's: plan je dividenduitkering jaarlijks in, niet impulsief in december. Reken vooraf door wat het doet met je box 1, box 2 én box 3-positie. Vergeet de excessief lenen-grens van €500.000 niet.
- Voor vermogende particulieren: kijk verder dan de peildatum van box 3. De tegenbewijsregeling, schenkingen op papier en herverdeling tussen partners leveren vaak meer op dan last-minute aflossingen.
- Voor iedereen met een eigen woning: de hypotheekrenteaftrek mag in 2026 nog maar tegen maximaal 37,56%, dus niet meer tegen het toptarief. Heb je een vrijwel afgeloste hypotheek, hou dan rekening met de versnelde afbouw van de Wet Hillen.
Kijk naar het totaalplaatje
Box 1, 2 en 3 zijn op papier drie aparte categorieën, maar in de portemonnee van een ondernemer of DGA zijn ze nauw met elkaar verbonden. Wie alleen op tarieven kijkt, ziet maar een deel van het plaatje. De echte besparingen ontstaan als je inkomen, dividend en vermogen in samenhang plant. Maar natuurlijk ook als je vooraf nadenkt over waar geld de komende jaren moet landen.
Voor wie zijn fiscale en financiële situatie integraal wil bekijken, is een gespecialiseerde partij vaak het verschil tussen jaarlijks teveel belasting betalen en jaarlijks belasting besparen. Financial Life Plan combineert fiscaliteit en financiële planning in één traject, specifiek voor ondernemers, DGA's en vermogende particulieren. Dat is precies de doelgroep waarvoor de samenhang tussen box 1, 2 en 3 het meeste uitmaakt.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen box 1, 2 en 3? Box 1 belast inkomen uit werk en woning (loon, winst uit onderneming, pensioen, eigen huis). Box 2 belast inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat is meestal dividend of verkoopwinst bij minimaal 5% aandelen in een BV. Box 3 belast privévermogen zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. Lees hier meer over belasting betalen op beleggen in aandelen.
Wanneer val je in box 2? Zodra je alleen of samen met je fiscale partner minimaal 5% van de aandelen bezit in een BV of NV. Voor DGA's is dat per definitie het geval. Je krijgt te maken met box 2 bij dividenduitkeringen, aandelenverkoop of bepaalde herstructureringen binnen je vennootschap.
Hoe wordt box 3 in 2026 berekend? Box 3 werkt nog steeds met een forfaitair systeem. De Belastingdienst gaat uit van een verondersteld rendement op je vermogen, gedifferentieerd naar spaargeld, overige bezittingen (6% in 2026) en schulden. Over dat berekende rendement betaal je 36% belasting, voor zover je vermogen boven het heffingvrije bedrag uitkomt (€59.357 per persoon).
Is dividend uitkeren altijd voordeliger dan extra salaris? Nee. Dividend lijkt op het eerste oog lager belast (24,5% in de eerste schijf), maar in de BV is dan al 19% of 25,8% vennootschapsbelasting betaald. Gecombineerd kom je tussen 38% en 44% uit. Dat is vaak voordeliger dan box 1 op toptarief, maar niet altijd. Het hangt af van je gebruikelijk loon, je winsthoogte en je privédoelen.
Hoe optimaliseer je tussen box 1, 2 en 3? Begin met een totaalbeeld: waar komt inkomen binnen, waar staat vermogen en wat zijn je doelen voor de komende jaren? Daarna stuur je op de combinatie van rechtsvorm, salaris-dividendmix, vermogensverdeling tussen partners, pensioenopbouw en schenkingen. Losse optimalisaties per box leveren bijna altijd minder op dan een geïntegreerde aanpak.
Over de auteur
Rens Vestjens
Ik ben geen econoom. Geen financieel adviseur. Geen crypto-miljonair. Wat dan wel? Iemand die, net als jij misschien, dacht: “Hoe kan ik blijven genieten van kleine dingen, zonder dat geld telkens in de weg zit?” Op indeflatie.nl schrijf ik niet als econoom in driedelig pak, maar als nieuwsgierige Nederlander met een gezonde interesse in geld en slimme verdienmodellen. Ik ben iemand d...
Alle artikelen van Rens Vestjens






